Uit de Thaise literatuur.

Informatie over cultuur en gebruiken.
Moderators: Chang, Patriot, Broom

Moderator: Loempia

Plaats reactie
SNP Wandelvakanties
Bericht
Auteur
Gebruikersavatar
erik-kuijpers
Volwaardig lid
Volwaardig lid
Berichten: 1728
Lid geworden op: donderdag 11 oktober 2018, 14:32

Uit de Thaise literatuur.

#1 Bericht door erik-kuijpers » woensdag 03 juni 2020, 15:49

Een aantal bijdragen die ik heb vertaald en bewerkt. Vandaag over het baht muntje.

De één baht munt.

In de brandende zon liep hij met snelle passen dwars de akker over naar de veldweg. Zijn zoon Chug trippelde achter hem aan. Bij iedere stap waaide stof op. De wind kwam opzetten en nam de as van het verbrande gras met zich mee. Chug klapte in zijn handen en riep 'Snel! Schiet op!' en lachte van plezier. Door de felle middagzon parelden zweetdruppels op de kale kruin van de jongen.
Hij keek om naar zijn zoon. Die kleine moest snel lopen met zijn kleinere passen. Hij leek vermoeid en vader liep wat rustiger zodat zijn zoon hem kon inhalen. 'Wij kunnen wat langzamer lopen, Chug! Dan komen we toch nog op tijd aan.'

'Maar dan zijn we er later dan de anderen, vader' zei zijn zoon ongeduldig. 'Welnee, wij zijn echt wel op tijd daar' stelde vader hem gerust en trok eens speels aan zijn haarlok. 'Kom, loop jij maar voorop.'

Chug rende voor hem uit. Hij keek zijn achtjarige zoon na en zuchtte. In zijn rechterhand hield hij het één baht muntje vast tot het nat van het zweet werd. Maar zijn gevoel zei hem dat het muntje er echt nog was en hij glimlachte.

De hitte in mei blonk op duizend-en-een manieren. Dikke rook van verbrand gras zweefde in de lucht. Boven de walm zwermden vogels, onderweg naar insecten happend. Bomen met stekels en verdorde takken stonden aan de rand van het droge veld. Hij keek teleurgesteld naar boven: geen spoor van een regenwolk te zien. De hemel was droog; alsof hij van plastic was.

'Het is al zes maanden droog! Hoe lang gaat deze droogte nog duren? Straks sterft alles af!' klaagde hij. 'Als er regen komt dan kan ik gaan ploegen, zaaien en planten. Maar als het dit jaar weer droog blijft dan houden we het niet meer vol.'

Drie jaar achtereen was de oogst mislukt. Twee jaar wegens droogte en vorig jaar wegens overstroming. Toch was de regen precies op tijd gekomen, in de zesde maand. De velden stonden vol met donkergroene rijstplanten en iedere boer was blij. Maar in de tiende maand kwam het water uit de bossen omlaag, overstroomde de hele regio en zette de rijstvelden onder water. Tien emmers met rijst was alles wat er overbleef voor de boer. En de kosten van levensmiddelen en levensonderhoud gingen dagelijks omhoog. De boeren werden er somber van.

'En dit jaar? Dit jaar wordt beslist of we dood gaan of gered worden' zuchtte hij luidop.

Chug liep door, zonder moe te worden. Ach, waar denkt een jongen van zijn leeftijd aan? Eten, spelen en slapen. Hij keek zijn zoon na met een glimlach. Het was zijn enig kind, de hoop in zijn leven. Een praatgraag en speels kind dat alles onthield wat hij zag of hoorde. Het dorpshoofd had hem vaak gezegd als hij bij hem wat kwam drinken 'Let goed op hem, Chan! Hij wordt straks een grote meneer! '

'Het is een slimme jongen, Chan' had de leraar vol lof gezegd. 'Hij zal wel officier worden' zei de burgemeester. 'Als jij niet wilt dat hij later afhankelijk wordt van het weer in de landbouw dan moet je zorgen dat hij veel leert zodat hij een goed loon kan verdienen zoals mijn zoon Sombat' verzekerde hem oom Mang.

Ja, dat vond hij zelf ook. Oom Mang was zelf ook geen rijk man. Maar door de rijstbouw had hij zijn zoon naar school kunnen sturen. Sombat was een goeie leerling geweest en mocht zijn opleiding in Bangkok afmaken. Oom Mang had zelfs zijn akker verkocht voor het schoolgeld van zijn zoon.

En nu had Sombat een salaris van vele duizenden baht, leefde comfortabel, had mooie kleren en genoeg te eten, en leefde in aanzien. Mensen behandelden hem met eerbied en als hij ergens heen ging dan werd hij door velen gegroet. Die woorden van oom Mang, zijn buurman, en het leven van Sombat maakten jarenlang diepe indruk op hem tot hij zelf een zoon had.

En sinds Chug hem kon verstaan vertelde hij hem hoe zwaar het leven van een rijstboer is: nog voor de eerste zonnestralen je bed uit, de karbouw naar het veld brengen, en de akker ploegen. Rondje na rondje, ontelbare rondjes, iedere dag wel duizend kilometer als je alle rondjes optelt. Hoe het weer ook is, regen of zonneschijn, je moet doorgaan.

En tegen de middag moet je gaan planten. Ieder bosje rijst moet je met de hand, de een na de ander, in de grond steken. Tot het hele veld vol is en je rug zo krom als een garnaal. De boer is pas tevreden als alle plantjes rechtop staan en groen worden.
Maar komt er overstroming dan zie je enkel nog de toppen van de plantjes. Dat betekent een slechte oogst. En vergeet niet de gevaarlijke droge maanden. Heb je het geluk dat je de oogst helemaal binnen hebt kunnen halen dan loert er nog steeds gevaar voor de boeren: de prijs kan zo maar 4 of 5 baht per emmer zakken.

Hij had het vaste voornemen Chug naar school te sturen tot hij volwassen was wat het hem ook zou kosten en hoe arm hij zelf ook zou blijven. Vanmorgen nog had hij daarover met zijn zoon gesproken.

'Je moet goed leren op school.'
'Waarom moet je leren?' vroeg Chug.
'Leren, zodat je een grote meneer wordt zoals meneer Sombat'.
'Waarom is het goed een grote meneer te zijn, vader?'
'Dan hoef je niet zo zwaar op het land te werken zoals jouw vader.'
'Maar hoe krijgen we dan de rijst om van te eten?' Zo weetgierig was Chug; hij was zeker niet dom.
'Je leeft van een vast salaris. Jij krijgt loon iedere maand, vele duizenden baht. Je hebt geen zwaar werk, je zit in de schaduw aan tafel en iedereen heeft respect voor je.'
'Waarom hebben ze respect?'
'Ja, omdat je een grote meneer bent. Je hebt het recht anderen uit te schelden. Wil je graag zo iemand zijn?'
'O, schelden zoals de politieagent Pin, niet waar, vader?' Chug gaf aan dat hij alles begrepen had.
'Juist, dat is het. Je mag anderen dan ook een schop geven. Wil jij zo iemand worden?' herhaalde Chan zijn vraag.
'Ja, dat zou ik wel willen' lachte het kind.

Hij rechtte de rug en liep kaarsrecht en met krachtige pas net zoals politieagent Pin had gedaan toen die gekomen was om zijn vader wegens illegale alcoholstokerij op te pakken. Chan lachte blij toen hij zag hoe goed de kleine het verwaande gedrag van een grote meneer na kon doen.

'En als je ook zo wil worden dan moet je goed leren!'
'Waar ga ik leren, vader?'
'Nou, eerst in onze dorpsschool en daarna ga je naar de school in de stad. '
'Slaat de meester mij?'
'Als je goed oplet en hard werkt dan slaat geen enkele meester jou. Ze slaan alleen luie en brutale leerlingen.'
'Ik ga aandachtig leren en niet brutaal zijn. Chug wil een grote meneer worden net als meneer Sombat.'
'Prima, prima!' en hij omarmde zijn zoon. Hij lachte en was blij.
'En wanneer ga ik naar school?'
'Al snel! Ik heb je aangemeld voor de zesde maand.' Hij telde de maanden op zijn vingers na. 'In de komende drie of vier dagen, Chug, dan mag jij zeker naar school.'

Wat hieraan vooraf ging.....

Hij lacht, pakt zijn opiumpijp en dampt met volle teugen. 'Chan, Chan, kom ga mee wat drinken. Ik heb vandaag aan god geofferd' roept iemand voor zijn hut. Hij legt zijn opiumpijp bij de deur, steekt zijn hoofd door een gat in de muur van gevlochten bamboeblad en ziet meneer Ten staan. 'Kom binnen, Ten' roept hij terug.
'Heb je wat in huis?'
'Het vat is helaas leeg, er ligt alleen nog drab.' Chan doelt op zijn sterke drank.
'Kom dan naar mij; die van mij is precies goed, Chan' probeert Ten hem over te halen.
'Maar waarom kom je zo vroeg op de morgen?'
'Door die kleine hier. Ze wil met alle geweld boeken hebben. Zij maant me aan schoolboeken voor haar te kopen. Ik weet niet waarom ze leren wil.' Ten wijst naar zijn dochter die een stapel boeken met zich meetrok.
'Heb jij die boeken op school gekocht?' vraagt Chan geschrokken. O jee, de school is al boeken aan het verkopen. Hij verwenste zijn stommiteit dat hij daar niets van wist.

Tegelijkertijd keurde hij het gedrag van meneer Ten af die niet wilde dat zijn dochter naar school ging. Hij ziet het belang van boeken niet en daarom blijft hij zijn leven lang een slaaf.

'De boeken voor de vierde klas hebben mij veel geld gekost. Hoe zit het met jouw Chug? Is hij op school toegelaten?'
'Dit jaar.'
'Ja, ga dan maar snel die boeken kopen voor de leraar ze aan de boekhandel teruggeeft want anders moet je naar de markt in de stad gaan om ze daar te kopen' zei Ten die daarna doorliep.

Chan bleef een paar minuten stil zitten. Dan nam hij de tabaksdoos, opende hem en keek er in. Hij zag alleen een vuursteen, wat tabak en gedroogd bananenblad. Hij wist nog goed dat het laatste één baht muntje gisteren was besteed aan gedroogde paprika. Toch wilde hij nakijken of er in de doos niet toevallig nog een muntje lag. Hij nam het gedroogde bananenblad uit de doos, likte er een paar keer aan om het zacht en buigzaam te maken, legde de tabakskruimels er op, rolde het op zijn hand samen, stak het aan en rookte peinzend.

'Vader, ga nu snel en koop die boeken voor mij. U moet mij leren lezen zodat ik goed lezen kan, zo goed als meneer Sombat.'
'Momentje.' Hij zat na te denken of hij Chug eerlijk zou vertellen dat hij geen geld had.
'Ga nu toch, vader!' drong Chug bij hem aan.
'Ik heb helemaal geen geld' zei hij resoluut.
'Verkoop dan rijst, vader' raadde Chug hem aan, wetend dat zijn vader altijd geld had na de verkoop van rijst.
'Wij hebben nog maar één emmer vol. Die moeten wij bewaren om te eten.' Hij zoog zwaar aan zijn sigaret tot het bananenblad opvlamde.
'Als wij geen boek hebben kan ik niks leren' zei zijn zoon op een huiltoon. 'Word nou niet boos; laten we naar de vijver gaan! Pak je visspullen.'

Vader en zoon kwamen de bamboehut uit. Ze liepen dwars het veld over en door het bamboebos tot ze aan de vijver kwamen. De Takee-vijver was volledig opgedroogd en de bodem vol met spleten. De moerasplanten waren dood. De waterlelies lagen met hun verdroogde gele bladeren en bruine wortels op de droge grond van de vijver.

'Wat moeten we hier, vader? De vijver is opgedroogd' zei de zoon vertwijfeld.
'Kleislakken zoeken!' 'De bittere slakken?'
'Ja ja, de bittere slakken.' 'Gaan we die koken, vader?'
'Nee, verkopen! Iedere pond brengt een baht op.'
'O, verkopen, voor geld voor de boeken, toch?' lachte Chug en gaf aan klaar te zijn voor dat werk.

Met de spa hakte hij in de gespleten bodem aan de rand van de vijver, haalde de aarde weg en zocht naar bittere slakken, zo groot als het puntje van je duim. Ze groeven de aarde af, maakten ongeveer tien putten maar vonden alleen maar dode wijngaardslakken en schelpen.

De zon begon nu feller te schijnen. Hun lijven waren nat van het zweet. Grote druppels verschenen op Chug zijn kale hoofd en liepen in zijn ogen. Het kleine kind veegde iedere keer het zweet met zijn hand weg. Vader kreeg medelijden met hem. Hij nam zijn gevlochten hoed af en bedekte daarmee zijn zoons hoofd en nam de kapotte handdoek van zijn middel af en legde die op de rug van zijn zoon.

'Daar is er een, vader!'
'O, laat eens zien!'
'Bah, verrotte slak! Hij stinkt als de pest.' Chug maakte zijn neus schoon met zijn vingers.
'Leg ze eerst maar eens in de mand' zei vader.
'Maar dit is alleen het huisje, vader. Kunnen we die verkopen?'
'Nou ja, we mengen hem met de andere slakken. Tegenwoordig wordt er wel vaker gemengd en word je bedrogen waar je bij staat, Chug. Rijst mengen ze met spelt en vissaus met zout water' hield hij zijn zoon voor.
'Probeer hier eens, vader!' Chug wijst naar een plekje onder een struik. 'Kom, help mee uitgraven.'
'Oh, wat veel!' Chug verheugde zich over een hoop slakken die daar zaten.
'Hoeveel zijn het er, Chug? Tel ze eens.'
'Een, twee, drie, vier, vijf. Vijf stuks, vader.'
'Je weet het best goed' lachte hij tevreden omdat zijn zoon goed had geteld. 'Als je naar school gaat moet je ook goed leren rekenen. Meneer Sombat is ook goed in rekenen en ook goed in lezen.'
'Ik kan al tot tien tellen, vader! Zes, zeven, acht....' schepte de zoon op.

Chan deed zijn uiterste best naar de schat in de bodem te zoeken. Iedere slak die hij in de mand kon leggen betekende veel voor zijn zoon. In de namiddag was het hen eindelijk gelukt precies een pond slakken te verzamelen; niet meer, niet minder. Op de markt van Baan Kho verkocht hij ze voor één baht. Dat muntje hield hij stevig vast in zijn hand.

Hij durfde het niet weg te leggen en ook niet in de zak van zijn hemd te stoppen want daar zat een gat in, net als in zijn broekzak. In zijn zakdoek knopen was ook gevaarlijk want het kan er uit vallen. Nee, het was niet gemakkelijk geweest aan geld te komen.

Toen het geld verdiend was liep hij met grote passen naar school om het boek voor zijn zoon te kopen. Chug liep nog steeds voorop. Hij stopte even en keek in zijn hand: het geld was er nog steeds. Het nieuwe muntje schitterde zo mooi in de zon. Hij hield het stevig en toch voorzichtig vast alsof hij bang was dat het zou breken voor ze bij de school waren.

'Vader, vader, is het geld er nog?'
'Ja.'
'Vader, hebben die boeken mooie plaatjes?'
'Ja.'
'Als wij thuis komen dan moet U mij het ABC leren zoals U beloofd hebt, niet waar, vader? Ik wil een grote meneer worden.'

Voor de school in het dorp Baan Kho stond een rij tafels. Daarop lagen boeken en schriften op volgorde van klassen. De leraar was bezig ze te verkopen aan de ouders naar gelang de klas waarin hun kinderen zaten. Voor de eerste klas waren maar weinig boeken nodig, slechts twee of drie. Voor de hogere klassen moest je meer boeken meedragen. De dorpsbewoners liepen te klagen over de kosten van de boeken en de reiskosten.

'Boeken voor de eerste klas liggen op die tafel daar' lichtte de leraar toe. Hij bracht Chug er naartoe.

'Hoeveel boeken voor de eerste klas?' vroeg Chan.
'Drie boeken. De complete set kost 4 baht en 50 satang alsjeblieft.'
'Kunnen we niet eerst maar één boek kopen?' Hij bewoog het muntje in zijn hand en zijn hart sloeg sneller.
'Een boek kost een baht en 50 satang alsjeblieft.'
'Kan het niet voor één baht?' probeerde hij te onderhandelen.
'Jammer genoeg niet. De waarde van de baht is gedaald' zei de jonge leraar.

Hij deed een stap terug. Hij had totaal niet begrepen wat dat betekende. Een baht heeft altijd honderd satang. Hoe kan die waarde dan zakken? Hij wist van zichzelf dat hij dom was. Hij kon zelf niks dus moest absoluut Chug naar school sturen zodat hij wel slim werd. In zijn rechterhand hield hij het muntje vast. De linkerhand legde hij op de schouder van zijn zoon. 'Chug, we gaan weer terug naar de vijver.'

'Gaan we weer slakken zoeken, vader?'


Bron: Kurzgeschichten aus Thailand; een boek samengesteld in 1982 ten behoeve van de studenten Duits aan de Chulalongkorn Universiteit te Bangkok. Vertaling en bewerking van mijn hand.

Schrijver Nimit Pumthaworn (ook Phumthaworn, 1936-1981) was onderwijzer in Sukhothai. Hij schreef over leven en werken door mensen in de Thaise landbouw. Bovenstaand verhaal komt uit een van zijn bundels.
Laatst gewijzigd door erik-kuijpers op woensdag 10 juni 2020, 06:25, 1 keer totaal gewijzigd.



Gebruikersavatar
erik-kuijpers
Volwaardig lid
Volwaardig lid
Berichten: 1728
Lid geworden op: donderdag 11 oktober 2018, 14:32

Re: Uit de Thaise literatuur.

#2 Bericht door erik-kuijpers » woensdag 10 juni 2020, 06:25

Haarspeldbochten

Vaak rij ik met een vriend mee; naar buiten, het land in. In zijn auto stuiven wij alsof wij vleugels hebben en ik heb dan het gevoel dat we zowel naar de hemel als naar de hel kunnen rijden. Als wij in de zomer langs de rijstvelden rijden staan op de uitgestrekte velden alleen nog de afgesneden stengels. Hun donkergele kleur eindigt ver weg in het groen van de bomenrij.

Ik heb hem vaak op de lotusbloemen gewezen die de sloten bedekken langs de wegen en ik vraag hem dan wat langzamer te rijden om de lotusbloemen beter te kunnen bekijken. Zij tonen hun pracht van helder groen gemengd met zacht roze tot je tenslotte in de verwelkte bloemen de vruchten kunt zien.

Ook kijk ik graag naar de jonge lotusbladeren die er opgerold uit zien als raketten klaar om op te stijgen. Als ze open gaan zien ze er anders uit: mals groen en teder als de wangen van een jong meisje. Deze lotusbloemen zien er zo schitterend uit dat het niet vreemd is dat schilders ze als motief gebruiken en weergeven op muren van tempels.

Wij rijden snel. Het suizen van de wind langs de auto voelt bij mij als het geluid van een beschaving waar ik me niet prettig bij voel. Ik krijg ineens het idee dat ik beter kan uitstappen en met een boerenkar door het land kan gaan rijden.

De weg voor ons loopt nu lichtjes omhoog. Als ik omkijk naar omlaag dan zie ik haarspeldbochten door het golvende land. We rijden daarna langs een bos dat eigenlijk niet meer als bos te herkennen is. Het houdt plotseling op, precies daar waar de weg naar de beschaving verbreed is. Ook is bos gekapt voor de maïsteelt. Deze akkers zien er ook mooi uit maar toch anders dan het ongerepte bos dat je hier eigenlijk verwacht.

Dode honden

Er liggen dode honden op de weg, slachtoffers van de gemotoriseerde wereld, verminkt en ontwricht. Ik beklaag mij daarover maar mijn vriend zoekt een excuus zoals alle autorijders doen. 'Je kunt niet snel genoeg remmen, je komt in een slip en knalt op een andere auto, en je kunt over de kop slaan.' Ik zucht maar eens; het leven van een dier is voor hen zonder betekenis.

Voor de hutten van boeren stijgt rook op naar de heldere hemel en de bergwind blaast de rook door de lucht alsof het verdwaalde wolken zijn. Er spelen, gelukkig en onbezorgd, naakte kleuters. Een zwarte kortharige hond kwispelt met zijn staart om aandacht van de kinderen te trekken. 'Als deze zwarte hond net over straat had gelopen, had jij hem dan aangereden'? vraag ik mijn vriend. Hij haalt zijn voet van het gas af en steekt een sigaret op.

'Als ik niet op tijd kan remmen dan moet ik hem wel aanrijden'.

'Als... Bah!' zucht ik en kijk dromerig naar de bergrug voor ons. Het lijkt wel de grens te vormen tussen ons en een ander werelddeel. 'Als het nu een van jouw kinderen was zou je hem dan ook moeten aanrijden?'

'Oh! Maar dat hangt van de situatie af.'

'Dus het leven van een mens is voor jou belangrijker dan dat van een dier?'

'Natuurlijk.'

Ik leun ontgoocheld naar achteren in mijn stoel. Eigenlijk klopt het wel wat mijn vriend zegt. De mens is belangrijker en bovendien voelt hij zich heerser over het dierenrijk. Maar, nog even, en dan meten mensen zich het recht aan andere wezens te mogen vernietigen. Zij zullen zich goddelijke rechten aanmeten.

Wij naderen het dorp onder aan de berg. Het verbaast me al niet meer dat ook hier dode honden op straat liggen. Bij enkele dieren is de kop helemaal vermorzeld. Bloedige bandensporen die getuigen van leven van weleer vervagen na enkele meters op het grijze asfalt. De autorijders hebben waarschijnlijk niet meer dan een doffe dreun gevoeld toen ze over het dier reden; de pijn die het dier heeft gevoeld toen de banden over hem heen rolden moet een marteling zijn geweest. Ik zucht opnieuw als ik hieraan denk.
Mijn vriend stelt mij gerust en zegt 'Ik zal opletten dat ik geen hond aanrijd.' Ik lach dankbaar.

De wind raakt me vol door het open raam en brengt mijn haar in de war. De geur van mijn hairspray gaat de hele auto door. Ik ruik aan mijn lange haar en als ik dat nog eens doe lachen wij beiden. Onze lach klinkt als muziek. 'Heb jij al eens iets aangereden' vraag ik mijn vriend.

'Wat bedoel je met -iets- ?'

'Nou, een hond, of misschien een mens!' 'Je zegt het zo alsof een hond net zo veel waard is als een mens.'

Ik kijk naar de bergrug die naderbij komt. De eerst vage contouren worden langzaam helder zodat je grote en kleine bomen kunt zien. 'Ik zie geen verschil tussen de doodsstrijd van een mens en een dier' zeg ik. 'Jij spreekt alsof je ooit gestorven bent' werpt hij tegen. Ik kijk hem eens aan en lach naar hem. Hij kijkt snel even naar mij en dan weer op de weg om zijn concentratie niet te verliezen. Maar zijn ogen worden tot pretoogjes als ik hem antwoord 'Ja, ik ben al eens gestorven.'

'Wanneer was dat dan' vraagt hij me. 'Toen ik verdriet had nadat mijn grote liefde het uitmaakte. Ik had toen het gevoel dat ik dood was hoewel ik nog steeds kon ademen.' Hierna lach ik voluit. Ik heb altijd goeie zin als ik de stad even uit kan. En dat komt omdat ik van het land kom.

'Ach, heeft iemand jou verlaten?' lacht hij. 'Ik denk nou net dat jij iemand bent die anderen verlaat.' Ik kijk hem meelijwekkend en onschuldig aan en zeg 'Nee, ze hebben mij ook vaak laten zitten.'

'Ja ja, dat betekent dus dat jij al veel vrijers versleten hebt.' Ik antwoord niet maar lach naar hem. 'Kan ik ook een vrijer van je worden?' vraagt hij met kalme stem. 'Hè, wat is dat nou?' vraag ik hem. 'Ja, jouw minnaar. Doe nou niet zo!'

Ik lach verlegen en kijk naar de groter wordende bergen. Ik zie rotsen, stenen, grote en kleine bomen dicht op elkaar, vaal en donker als op een schilderij. 'Is dat jouw manier om een liefdesverklaring te doen?' vraag ik hem. 'Nee, dit is geen liefdesverklaring, ik wil gewoon jouw vaste vriend worden.'

'Dat is toch hetzelfde? Kijk liever nou eens naar die mooie bergen daar!'

'Draai je er zo niet uit! Zie je nu echt niet dat ik jouw vaste vriend wil worden?'

'OK dan' zeg ik en lach naar hem. 'Zeg ik niet snel ja?'

'Zeker' antwoordt hij.

'Kijk toch eens, weer een aangereden hond' en ik wijs hem op het rottende kadaver. 'Is er dan niemand die daarnaar kijkt?' Hij ontwijkt het kadaver. 'Als dit in mijn dorp gebeurt' vertel ik hem, 'dan had al lang iemand hem opzij geschoven en begraven aan de wegrand. Maar hier kijkt niemand er naar om en ze laten de hond in de zon verrotten tot er niks van over is. Zie je nu hoe harteloos de mens is?'

'Was het een mens', zegt hij, 'dan lieten ze hem niet zo liggen. Uit medelijden zou men de dode van straat halen.'
Wij rijden de berg voorbij en zien aan de horizon de volgende berg naderen en rijden daarheen. 'Praat toch niet steeds over de dood; wij maken nu een uitstapje naar de bergen!' 'Naar de altijd groene jungle?' vraag ik hem.

'Nee, naar Khao-Yai, de grote berg. Of die groen is kun je dadelijk zelf zien. Maar …' en dan pakt hij mijn hand en zegt met lichtjes in zijn ogen 'als wij boven op de berg zijn dan wil ik je graag kussen.'

'Hoe kom daar je zo ineens bij?'

'Nou, om onze vriendschap te bekrachtigen en te vieren.'

Ik lach. Ben ineens vol elan en zeg 'Maar je moet me eerst wat beloven.'

'Wat dan?' vraagt hij.

'Dat je je best doet niets of niemand aan- of dood te rijden. En als je zelfs maar een hond aanrijdt dan laat ik me niet door jou....'
'Kussen!' maakt hij de zin af. 'En als ik mijn belofte hou, hou jij dan de jouwe?' Ik steek twee vingers op alsof ik het zweer.

Wij rijden langzaam de steile hellingen op. Ik kijk naar omlaag en zie de witte haarspeldbochten in de weg nog vaag tussen bomen en bamboe door. In de afgrond beneden ons vormen de toppen van de bomen een groen tapijt. Ik voel druk op mijn oren omdat wij hoger en hoger komen. Wij stoppen aan de grens van het natuurgebied. Diep onder ons zien we wolken boven de bergtoppen zweven. Hier is een uitzichtpunt; op het bord staat “weids uitzicht”.

Over dat bord erger ik me; moet ik uitgerekend hier van een weids uitzicht genieten? Van een mooi uitzicht geniet ik daar waar ik dat mooi vind en niet waar een bord me dat voorschrijft. Er zijn veel mensen die door dat bord iets mooi vinden om te genieten en te fotograferen. Daarom mijd ik deze plek en ga naar de auto terug. 'We zijn nu wel op de top' herinnert mijn vriend me aan de belofte. Ik knik, want houd met beide handen mijn oren dicht vanwege de luchtdruk.

De lichtjes in zijn ogen zijn er nog steeds als ik naast hem ga zitten. Hij neemt mijn hand en kust hem. Ik frons mijn voorhoofd en vraag me af of mijn hand nog wel naar mijn parfum ruikt. Ruikt hij eigenlijk wel aan mijn hand? Ik trek mijn hand terug want wil niet dat hij met één hand stuurt.

De paarse bloemen langs de weg bewegen soepel als danseressen. Ze lijken je te bevelen naar hun schoonheid te kijken. Ze lokken mij er een te plukken, maar dat mag niet want dit is natuurgebied. Het donderen van de waterval klinkt als wilde muziek in het oerwoud.

Waar gaat hij mij eigenlijk kussen, denk ik. Op de top van de berg is geen rustige plek. Daar zijn golfbaan, restaurant, zomerhuisjes en zo. Ik weet niet zo snel een plek waar hij mij zijn gevoelens kan tonen.

Van opzij kijk ik naar hem. Een gesoigneerd, geschoren gezicht. Hij ziet er helemaal niet slecht uit! Ik vraag me af of ik eigenlijk wel van hem hou. Maar dat is uiteindelijk niet belangrijk want Moeder Natuur zal ons zeker vertellen hoe deze relatie verder zal gaan en of er nu liefde of alleen verlangen in het spel is.

Hij zal me waarschijnlijk op de mond kussen, maar als de liefde ons niet aanvuurt dan is dat net zo smakeloos als verschaald bier. Of kust hij mij op het voorhoofd?

Wij rijden hoger en hoger. Mijn vriend neuriet een lied maar ik weet niet welk lied. 'Als ik hier mocht parkeren zou ik je direct aan je belofte houden' zegt hij en pakt me bij de arm. Zijn hand is net zo warm als zijn blik.

De weg gaat nu steil omlaag. De bochten zijn erg gevaarlijk en hangen over de afgrond heen maar hij houdt zijn hand op mijn arm. Wil hij me liefkozen voor we aan ons doel toe zijn?

Een kleine ree komt ineens uit het struikgewas gerend en stormt op ons af. Voor ik het weet staat hij midden voor de auto. Instinctief roep ik 'Kijk uit!' Met slechts één hand gooit hij het stuur om en wijkt uit. Hij verliest de macht over het stuur net in de gevaarlijke bocht langs het ravijn.

Ook nu heeft hij mijn arm nog niet losgelaten. En terwijl wij met de auto in de afgrond vallen schiet het door mijn hoofd net voor ik bewusteloos word: Zal iemand onze lijken opzij leggen? Men zal ons toch niet laten verrotten zoals al die arme honden die we op straat hebben zien liggen?


Bron: Kurzgeschichten aus Thailand. Vertaling en bewerking Erik Kuijpers.

Schrijfster Suwanni Sukhontha (สุวรรณี สุคนธา, 1932-1984), ook wel Sukhonthiang, auteur en oprichtster van het damesblad Lalana ('Girls'). Ze is op het hoogtepunt van haar carrière vermoord (roofmoord) in Bang Kapi. Zie wikipedia. https://en.wikipedia.org/wiki/Suwanni_Sukhontha. Dit kort verhaal is vanwege de lengte ingekort.

Gebruikersavatar
erik-kuijpers
Volwaardig lid
Volwaardig lid
Berichten: 1728
Lid geworden op: donderdag 11 oktober 2018, 14:32

Re: Uit de Thaise literatuur.

#3 Bericht door erik-kuijpers » zaterdag 13 juni 2020, 14:15

Het testament

Aan mijn lieve zoon Nampoe,

Omdat jij mijn enige zoon bent naast drie dochters, en voorts de enige man in huis, vertrouw ik op je, heb ik je anders opgevoed en hou ik jouw vorming anders bij dan bij jouw zussen.

Het verschil tussen een zoon en een dochter zie je rond de leeftijd van zes jaar. Dat geldt natuurlijk alleen voor mijn kinderen; deze waarneming is absoluut geen norm voor andere kinderen. Ik merkte dit aan het andere woordgebruik van jou en de manier waarop je emoties toonde op die leeftijd. Als ik een dochter in een vlaag van moederlijke gevoelens vroeg 'Liefje, hou je meer van vader of van moeder?' dan antwoordden alle dochters 'Wij houden meer van moeder!' Maar jij zei dan 'Weet ik niet.' Jij had het nooit over zulke onbelangrijke dingen, ook niet als iemand aandrong.

Jouw schooltijd

Toen je groter werd en naar school ging wilde ik natuurlijk weten wie je vriendje was, hoe het op school ging en waarover kinderen het op school hadden. Van dat soort dingen vertelden mijn dochters iedere dag. 'Dat kind heeft grote tanden; die andere heeft veel geld mee...' Maar als ik dat jou voor de zoveelste keer vroeg dan vertelde je met tegenzin en heel langzaam '...Nou ja, één meisje heet Suwannie net als jij. Die vind ik wel aardig!' Je keek me dan kort aan en zei heel onverschillig 'Wie niet te dik is die vind ik wel aardig....'

Ik was er zeker van dat jij, eenmaal volwassen, niet zoveel zou wauwelen als al die domme vrouwen die ik ontmoet heb. Vrouwen die alleen maar onzin uitkraamden en die me vertelden van al hun 'goede kwaliteiten': ze zijn natuurlijk beter dan ieder ander en hun kinderen zijn echte schatjes. Of al die mannen die me vertelden dat hun vrouwen het knapste zijn, en eerlijk en braaf als een adellijke dame.

Dat soort mannen kom je vaak tegen. Maar ik wilde absoluut niet dat jij zo'n man zou worden. Aan de andere kant is het goed dat zulke kerels er zijn. Af en toe, als ik tijd heb, heb ik er gewoon lol in hun gebazel te aanhoren. Je beleeft hun 'diepe' gevoelens en gedachten mee. Je verliest er niks mee want ze vertellen alles vanzelf. Maar je moet met verstand luisteren. Daarom wil ik je nog iets meegeven: iedereen laat zich graag horen maar iemand die echt luistert is moeilijk te vinden. Als jij leert hoe je goed moet luisteren en alleen op het juiste moment jouw mond open doet, dan word je een man met wie mensen graag praten.

Dit betekent niet dat ik je wil opvoeden tot iemand die niets zegt. Als je nooit iets zegt zal iedereen je voor dom uitmaken. Als het die kant op lijkt te gaan moet je het juiste antwoord zoeken en dat hoeft niet omstandig te zijn. Met dat antwoord kan jouw gesprekspartner niet meer verder en is het gesprek ten einde. Kijk, dat heb ik natuurlijk niet tegen mijn dochters gezegd.

Jouw zusjes groeiden zo snel als bamboescheuten in de moesson. Maar jij groeide heel langzaam alsof eerst kracht opgebouwd moest worden. Neem je een dochter aan de hand dan voelt alles zacht aan. Maar jij had stevige spieren, grote vingers en harde handen. Heel anders dan bij dochters: zowel in de aard van de persoon als in de ontwikkeling van jullie lichaam, alsof jullie planten zijn van een andere familie. Zo hoort het ook. Het bevestigt dat ik een echte zoon heb en niet drie dochters en een travestiet. Ik vind het een weldaad dat ik een zoon heb die mij later als maatje kan bijstaan.

Als ik je één ding mag meegeven: studeer zoveel mogelijk. Neem me niet kwalijk dat ik je voortdurend aanspoor veel te leren. Andere kinderen krijgen veel tijd voor spelen en lol maken maar ik zou bij jou de liefde voor regelmatig lezen willen inplanten zodat je de lol van het lezen leert kennen naarmate je ouder wordt. Daarop groeit vanzelf bij jou de wens om dingen echt te weten.

Nee, zelf weet ik niet veel. Met andere woorden, ik heb geen echte kennis. Mijn verstand is zo klein als een kikkervisje. Lach er later gerust om. Ik zal het je niet kwalijk nemen want iemand die veel weet heeft het recht te lachen om mensen die weinig weten. Maar lach niet te hard want er is vast nog iemand die meer weet dan jij. Daarom wil ik dat je veel leert en leest. Van lezen steek je ongelooflijk veel op.

Net als andere vrouwen ben ik bijgelovig. Ik geloof in voorspellingen, in astrologie en in handlezen. In jouw hand zie ik vage lijnen waar ik niet uit kan lezen of jij later het schrijven als beroep zult kiezen. Ik zou blij zijn als dat wel zo was. Maar ik zeg je nu al dat ik je niet zal vragen een beroep te kiezen naar mijn voorkeur. Kies straks maar wat jij wilt, of het nu arts is, advocaat, kunstenaar of koopman: ik ben nergens tegen.

Over schrijvers

Ik heb zelf ook al wat geschreven. Korte verhalen, en romans. Maar ik deed dat alleen om geld te verdienen om mijn kinderen eten te geven. Het belang van mijn boeken is de aandacht niet waard; ja, ik schaam me een beetje dat zo te zeggen. Ik heb namelijk verhalen van een jonge schrijver gelezen en al zijn verhalen waren goed geschreven. In een passage heeft hij het over 'prostitutie-schrijvers'. Ik schrok toen ik dat las en dacht dat ik een draai om mijn oren kreeg. Dat komt omdat ik nooit het plan had schrijver of dichter te worden. Ik zei het al: kennis en hersens als van een dikkopje. Ik kan uiteindelijk de lezers niets anders geven dan een prostitutie-schrijfster: ik schrijf alsof ik mijn lijf en mijn ziel verkoop.

Had ik een keus dan zou ik willen dat jullie niet als mijn kinderen geboren waren omdat ik zo arm ben. Ik kan, om mijn kinderen te onderhouden, niks beters doen dan mijn ziel en mijn hele ik verkopen. Af en toe vraag ik me zelfs af: waarom schrijf ik eigenlijk? Nee, niet om roem te behalen maar gewoon voor geld; geld voor de kinderen zodat ze kunnen opgroeien, straks kunnen opbloeien door hun opleiding, door goed eten en nette kleren.

Zou ik alleen zijn, zonder kinderen, had ik me misschien ontwikkeld tot een schrijver die niet voor geld schrijft. Zou ik proberen ware kunst te scheppen ofwel: l'Art pour l'art. Zou ik dan niet te eten hebben dan verhongerde ik op mijn eentje. Met die armoe zou ik dan om kunnen gaan en geen mens zou me dat verwijten. Maar ik zou het niet kunnen verdragen als mijn kinderen honger moesten lijden of niet naar school zouden kunnen.

Het is zoals het is. Toch kunnen mensen vragen waarom ik geen ander vak kies. Dan zou ik antwoorden: kan ik eigenlijk wel iets anders? Ik heb ooit beeldende kunst gestudeerd; ik kan een beetje tekenen en misschien een prent verkopen. Maar voor een echt kunstwerk ben ik niet goed genoeg. Kijk: wat ik kan dat kan ik niet goed. Daarom verkoop je je eigen ziel ook al wil je dat eigenlijk niet.

En als ik nu eens het noodlot tart en verkoopster word? Als ik daaraan denk dan moet ik zeggen … ja, op een zekere dag … dan wel! Wacht tot ik wat eigen geld heb. Dan begin ik zo'n klein tentje dat curry met rijst verkoopt en dan word ik een echte verkoopster. Verkoopster van curry met rijst is zeker een beter beroep dan verkoopster van letters of van pseudo-kunst.

Ik hoop dat jij, als die dag ooit komt, dan geen hekel aan mij krijgt, aan mij, je moeder, die verkoopster van curry met rijst geworden is. Het publiek zal me dan zeker niet zo bekritiseren als een verkoopster van lettertjes. Weet je, het loon van een schrijfster is in Thailand lager dan van een meisje in een nachtclub. Misschien zegt men nu dat ik de zaak bespot. Maakt me niet uit!

Voor een kort verhaal van iemand die al een beetje bekend is krijg je maar 200 baht. Dan hebben wij ons uit de naad gewerkt het verhaal te bedenken. Komt nog bij dat wij twee tot drie dagen zitten te werken tot het klaar is. Als het echt om het geld gaat was ik beter af als hoer, als ik nog geen kinderen had en jong was, niet oud zoals nu.

Vraag je naar mijn loon als ambtenaar? Dat is per maand 1.200 baht. Daarvan moet ik 150 baht pacht betalen voor de grond; gelukkig hoeven wij geen huur te dokken. Onze hulp kost 200 baht en stroom en water kosten 100 baht. Dat is samen al 450 baht. De rijst, iedere maand 2,5 emmer, kost bij de prijs van vandaag 135 baht. Nu zitten we al bijna op 600 baht.

Dan komen houtskool, olie, waspoeder, zeep, tandpasta, medicijnen, ook een 100 baht. Dat zijn er al 700. Dan blijft er 500 baht over voor eten, school- en zakgeld voor de kinderen, kleren en de rest. Je ziet, daar kan geen mens van rondkomen ook al komt een engel uit de hemel om mij dat duidelijk te maken. Daarnaast speelt mijn rol in de maatschappij me parten. Hoe de wereld naar mij kijkt als alleenstaande vrouw met 4 kinderen is moeilijk te verdragen.

Ik moet dus wel 'prostitutie'-schrijver/dichter blijven en als schilder clichéwerk verkopen hoewel het loon daarvoor veel lager is dan voor een echte hoer.

Kan ik iemand verwijten dat het auteursrecht in Thailand zo slecht is? Als je naar de prijs van een boek vraagt veroordeel je dan de uitgever? Nee, je moet iedereen, van schrijver tot lezer, beschuldigen. Thaise mensen hebben een afwijking: ze kopen niet graag een boek. Ze lenen dat liever van iemand. Daarom is het aantal verkochte boeken zo laag. En dat betekent weer een laag honorarium voor de auteur. En wat de schrijver betreft: schrijf je goed dan wordt jouw werk gekocht. Dus, schrijf je slecht, dan kun je toch niet verwachten dat ik geld voor je uitgeef?

Ik ben wel eens droef dat ik zoveel kinderen heb. Want wat ik ook aanpak, ik zie steeds hindernissen omdat ik bang ben dat mijn kinderen verhongeren. Gelukkig heb ik goeie kinderen die niet om beter eten en een beter leven vragen. Jullie kunnen alles eten en zijn niet kieskeurig of veeleisend. Zijn jullie gewend iedere dag naar een chic restaurant te gaan? Nee. Jullie hebben ook nooit gezeurd om duur speelgoed omdat ik niet in staat ben zoiets voor jullie te kopen. Daar dank ik jullie voor.

Jullie hebben niet veel van mij geëist maar daarentegen mij zielsgelukkig gemaakt. Jullie zijn mijn vrienden geweest en, als ik verdriet had, mijn praatmaatjes die, hoewel jullie nog niet volwassen waren, mij konden amuseren en opbeuren zodat ik vergat wat ik wilde vergeten.

Voor ik deze brief afrond wil ik iets over mijn vermogen zeggen. Ik heb al gezegd dat je het huis mag verkopen als je in geldnood komt. Je hebt een oudere en twee jongere zussen. Als je het moet verkopen en het geld gaat verdelen moet je nadenken hoeveel ieder krijgt. Neem niet meer en niet minder dan een ander. Je bent een man en mag vrouwen niet afzetten. Dat geldt niet alleen voor jouw zusjes maar voor alle vrouwen die je in de toekomst zult kennen.

Je weet best wat ik bedoel. Wij hebben elkaar altijd goed begrepen. Daarover hoef ik niet meer te schrijven.

Je moeder
1967

-o-

Bron: Kurzgeschichten aus Thailand. Vertaling en bewerking Erik Kuijpers.

Schrijfster Suwanni Sukhontha (สุวรรณี สุคนธา, 1932-1984), ook wel Sukhonthiang, was auteur en oprichtster in 1972 van het damesblad Lalana ('Girls').

'Het testament'

'Het testament' is een onderdeel van de bundel verschenen in 1974 ter nagedachtenis aan haar aan drugs overleden zoon Namp(h)oe. Het geeft een beeld van het leven van een Thaise vrouw in de jaren 70. Vanwege de lengte is de tekst ingekort.

Meer lezen?

Over haar leven, werken en gewelddadige dood; wikipedia. https://en.wikipedia.org/wiki/Suwanni_Sukhontha

Gebruikersavatar
erik-kuijpers
Volwaardig lid
Volwaardig lid
Berichten: 1728
Lid geworden op: donderdag 11 oktober 2018, 14:32

Re: Uit de Thaise literatuur.

#4 Bericht door erik-kuijpers » donderdag 18 juni 2020, 08:55

Zo zijn de hoge heren

De gammele tweemotorige Dakota waarvan niemand weet waar hij vandaan komt koerst op een eiland af in de Golf van Siam. Hoe meer het eiland nadert des te lager vliegt het. Midden op het eiland stort het neer. Bomen vallen om. Een explosie, en een vlam schiet omhoog. Daarna is het stil.

'Meneer, meneer...' fluistert de kleine ambtenaar die tegen een boom gehurkt zit. Voor hem ligt een hoofdambtenaar op zijn rug met de ogen dicht. Hun rangen zijn niet meer te onderscheiden hoewel beiden hun uniform dragen met rangkenmerken en epauletten. De liggende man kreunt. 'Nou zeg! Ben ik dood of leef ik nog? Voel eens aan mijn pols! Als je die niet meer voelt zorg dan voor de aanvraag van een onderscheiding omdat ik in diensttijd ben overleden!'

De kleine beambte kruipt naar de liggende man en geeft hem respectvol een 'wai' met beide handen voor hij voorzichtig de hand van zijn superieur pakt. Hij voelt aan de pols en zegt 'Meneer, ik voel gelukkig uw pols nog. U bent dus nog niet heengegaan.'

De ambtenaar gered

'O. Nou dat is goed' zegt de hoge ambtenaar. 'Masseer nu mijn benen een beetje anders ik niet opstaan!' De ander buigt en begint gehoorzaam de benen te masseren terwijl hij zegt 'Dat ik vandaag in leven gebleven ben komt vast omdat u onder een gelukkig gesternte geboren bent. Toen het vliegtuig op de grond neerkwam heb ik u beetgepakt en ben er uit gesprongen net voor de explosie. De andere passagiers zijn allemaal in het vliegtuig verbrand. Alleen u bent blijven leven en ik dank mijn redding aan uw beschermengel.'

'O ja, zijn ze allemaal dood?' vraagt de hoge ambtenaar met de ogen nog steeds dicht.

'Ja meneer, ze zijn allemaal dood.'

'Dat is dan zo. Je kunt in het leven op alle terreinen met anderen wedijveren, maar niet met het noodlot. Toch?'

'Dat is waar, meneer. Had uw engel mij niet beschermd dan was ik nu dood. Ik ben u erg dankbaar voor uw bescherming. Dat ik gered ben zal ik in dit leven nooit vergeten en ik zal uw trouwe dienaar zijn tot mijn dood.'

'Ach, een kleinigheid, de moeite van het vermelden niet waard' zegt de hoge ambtenaar die de ogen opent en langzaam overeind komt. En hij gaat verder met ' Ik heb een beetje trek. Is er hier wat te eten? Een whisky-soda on the rocks voor het avondmaal gaat er wel in.'

'Sorry, meneer' zegt de kleine ambtenaar, 'Wij zitten hier midden in de jungle. Ik zie geen mensen hier. Onze voorraden uit het districtskantoor zijn verbrand. Het is mijn fout dat ik daar niet op gelet heb. Mijn excuses daarvoor alsjeblieft....'

'Ach, wat maakt het uit. Ik heb wel erger meegemaakt. Tijdens dienstreizen op het vasteland heb ik dikwijls honger moeten lijden. Zijn er mensen in de buurt?'

'Dat weet ik nog niet maar ik vraag uw toestemming dat te onderzoeken.'

Als de hogere ambtenaar met een hoofdknik toestemming heeft gegeven rent hij weg. Nadat hij zich een uur door de jungle een weg heeft gebaand komt hij terug, in gezelschap van twee mannen. Uit de manier waarop ze er uit zien en hoe ze zich gedragen maak je op dat het om twee gewone burgers van het Thaise volk gaat.

Nadat de kleine ambtenaar de twee mannen heeft verteld te knielen en de handen eerbiedig tot een 'wai' te brengen doet hij verslag.

'Ik heb het hele eiland gecontroleerd. De naam van dit eiland is onbekend. Er zijn geen mensen en geen dorpen, alleen maar jungle. Er is een beekje met schoon water. Geen spoor van wilden; alleen maar ongevaarlijke dieren. Ik zag deze twee mannen die ik meegenomen heb naar hier opdat ze, knielend bij uw voeten, u kunnen begroeten en zo de eer voelen dat ze u mogen zien.'

'Prima' zegt de hoge ambtenaar. En tot de twee mannen: 'Wat doen jullie op dit eiland? Wat eten jullie?'

'Wij zijn vissers, meneer. Wij zijn door schipbreuk op dit eiland terecht gekomen. Sindsdien zijn wij hier en kunnen niet naar huis terug omdat er nog geen schip voorbij is gevaren.'

'Zie je nou wel!' zegt de hoge beambte op barse toon. 'Jullie twee kunnen elkaar gewoon niet helpen. Nu ik er goed over nadenk is dit land gewoon om te janken. Als mijn vliegtuig nu eens niet hier neergestort was, wat zouden jullie dan doen? Vermoedelijk zouden jullie tot je dood op dit eiland blijven.'

De mannen buigen angstig, de handen nog steeds tegen elkaar aan, en antwoorden trillend van angst 'Wat u maar wilt!'

De ambtenaar gaat verder. 'Jullie hebben echt geluk dat mijn inspectietocht mij naar dit gebied heeft gebracht, anders hadden jullie nog veel meer problemen. Enne, ik krijg langzaamaan honger. Sta op en maak wat te eten. Het hoeft geen groot menu te zijn; drie of vier gerechten is wel genoeg!'

En dan, tegen de lagere ambtenaar, 'Ga mee en geef ze wat advies. Je kunt zulke mensen niet vertrouwen. Ze zien er slonzig uit. Je moet ze constant in de gaten houden. Als het eten klaar is vertel ze dan dat ze een hut moeten bouwen. De hut moet bij de beek staan zodat we veel water hebben. Vergeet geen grote veranda zodat we buiten kunnen zitten, en denk aan jaloezieën tegen de zon.'

Met de aanwijzingen van de bekwame kleine ambtenaar kunnen beide onderdanen midden in het oerwoud een uitstekende maaltijd samenstellen; zoiets heeft de hoge ambtenaar nog nooit gehad. Alles smaakt en is zijn lievelingsgerecht.

En hoewel het eiland midden in zee ligt bestaat het diner natuurlijk niet uit 'fruits de mer' zoals krab, zeekreeft, mosselen of andere zeevissen, nee, het bestaat uit moeilijk te vangen zoetwatervis, uit lastig te vinden bosvruchten en zelfs kostbare zaken als ijs en whisky-soda heeft de slimme ambtenaar uit de onderdanen kunnen persen. Al na korte tijd komen de eerste dienbladen met eten en drinken aan. Er is aan niets tekort.

De kleine ambtenaar verontschuldigt zich tegen zijn chef: 'Ik hoop dat u, meneer, het mij vergeeft als iets niet aanwezig is. Het is echt een ellendige plek hier.'

De chef laat zijn blik eens gaan over het eten en zegt minzaam 'Het is goed zo. We zijn hier zonder afspraak. Maar je ziet, je kunt uit iedere fout leren, en je moet steeds je best doen om je fouten goed te maken.' Daarna begint hij hongerig te eten waarbij de andere ambtenaar hem bedient want de beide burgers haasten zich, een hut te bouwen naar zijn wensen.

Als de hoge ambtenaar klaar is met eten schrijdt hij deftig naar de beek waar een provisorisch huis staat, gebouwd met het zweet van de burgers. Er is een woon- en een slaapkamer, bad, keuken en een grote veranda met jaloezieën. Bed, kussens, tafels en stoelen; alles overeenkomstig zijn rang door de burgers daarheen gebracht. Het huis is op elektriciteit aangesloten en dat is op bevel van de kleine ambtenaar opgewekt uit waterkracht.

De hoge heer bekijkt het huis van alle kanten en knikt eens tevreden. 'Dat hebben jullie keurig gedaan. Heel veel dank. Ik denk dat ik hier maar wat langer blijf. Na gedane arbeid moet je goed uitrusten!' Zijn ondergeschikte wacht onder aan de trap tot zijn chef naar boven gegaan is en zegt eerbiedig 'Wat een eer voor ons!'

De tijd vliegt voorbij

Na drie jaar zijn de levensomstandigheden op het eiland volledig anders. Het eiland, dat oorspronkelijk maar twee bewoners had die wild en onderontwikkeld waren, is er op vooruit gegaan nadat beide beambten de leiding over de burgers hadden genomen. Er zijn nu dienstwoningen voor werknemers, een aangelegde tuin, mooie watervallen en grote en kleine straten. Er loopt een brede rondweg over het eiland.

Aan zee ligt een kuuroord van de overheid. Er staan gebouwen met diverse voorzieningen die door de burgers zijn gebouwd ten behoeve van het welzijn van de ambtenaren die inmiddels een dikke buik hebben omdat het hen erg goed gaat. Er is daar volop voedsel.

De twee burgers daarentegen gaan nog steeds zoals van het begin af aan in het bos slapen omdat ze zich niets beters kunnen permitteren. Ze hebben de laatste maanden ook helemaal geen vrije tijd om voor zichzelf iets te doen want ze zijn in staatsdienst gevorderd om het eiland te ontwikkelen. Zij moeten klaar staan om de hoge rijksinspecteurs te ontvangen die op dienstreis zijn en toevallig bijna iedere dag bij hen komen kijken.

Er komt nog steeds zelfs niet één boot aan de horizon.

De hoge ambtenaar zegt ongerust tegen zijn ondergeschikten 'Ik ben nu al heel lang hier. Mannen, ik krijg heimwee. Ik wel wel eens terug naar huis.'

'Maar meneer, ik kan het probleem niet oplossen hoe u naar Bangkok moet komen.'

'Ach, zelfs zoiets eenvoudigs kun je niet oplossen! Haal die mannen naar hier en laat ze een boot bouwen. Hout zat in het bos, toch? En die mensen zijn visser geweest dus zij kunnen ons naar Bangkok brengen als de boot klaar is!'

Dit briljante idee wordt snel uitgevoerd. De twee onderdanen hakken bomen om en bouwen daarmee een grote boot. Ze verbouwen katoen om daarvan draad te trekken en tenslotte een zeil te weven. Als alles klaar is vragen ze de twee ambtenaren aan boord. Ze nemen ook eten en drinken mee opdat de heren onderweg wat te eten en te drinken hebben. Daarna hijst men het zeil en gaat de boot de zee op. Tenslotte brengen ze de heren tot bij hun huis.

Ze worden hartelijk ontvangen. Vrouwen, kinderen, familie en huispersoneel ontvangen ze allerhartelijkst. Iedereen is onder de indruk van de kracht van het gelukkig gesternte waaronder de hoge ambtenaar geboren moet zijn nu hij ieders leven beschermd heeft. De tafel wordt gedekt voor een groot feest. Goed eten en mooie dranken komen op tafel om de terugkeer van de beide heren te vieren.

Dan komt een dienstmeisje nederig naderbij de hoge heren en zegt: 'Geachte heren, voor het huis zit een stel buitenlui die beweren dat ze met u beiden van het eiland gekomen zijn. Wat kan ik die mensen namens u zeggen?'

'Ach! Helemaal vergeten' zegt de hoge ambtenaar, 'ja, die zijn met mij meegekomen. Ze hebben mij tot aan het huis vergezeld, zeker, een indrukwekkend gebaar. Geef ze een borrel! En niet de duurste want de betere merken proeven ze echt niet. Vertel ze daarna dat ze naar huis kunnen, ik heb ze niet meer nodig. O, en vergeet niet de glazen mee naar binnen te nemen....'

-o-

Bron: Kurzgeschichten aus Thailand. Vertaling en bewerking Erik Kuijpers.

Auteur Kukrit Pramoj (uitspraak Pramoot, in Thais คึกฤทธิ์ ปราโมช, 1911-1995) was schrijver, staatsman, journalist, acteur en danser. Dit verhaal is uit de bundel 'Ruam rüang san', รวมเรื่องสั้น, korte verhalen.

Meer lezen?
Over Kukrit Pramoj. https://en.wikipedia.org/wiki/Kukrit_Pramoj

Gebruikersavatar
erik-kuijpers
Volwaardig lid
Volwaardig lid
Berichten: 1728
Lid geworden op: donderdag 11 oktober 2018, 14:32

Re: Uit de Thaise literatuur.

#5 Bericht door erik-kuijpers » maandag 22 juni 2020, 12:09

Pajom, de eenzame vrouw

Ze is 23 en al weduwe. 'Doe er nog maar een' mompelt ze. 'OK, Pajom.' De man van middelbare leeftijd neemt een bronzen lepel en schept een rode borrel uit de kom. 'Hoeveel is dat?' 'Zes baht.'

'OK dan' zegt ze koeltjes, onverschillig. Ze voelt in haar zak, peutert er een tien baht muntje uit en laat dat op de bar vallen. Ze kijkt naar de rode vloeistof in haar glas. Voordat ze drinkt gaat haar blik naar boven, naar het plafond met spinnenwebben.

Veel mensen in de kroeg weten dat Pajoms man een dief was. Hij is neergeschoten toen hij ivoor en antiek porselein stal uit het huis van een rijke. Dat is nu twee jaar geleden maar het doet haar nog steeds pijn. De eenzame Pajom heeft zich voorgenomen vanaf dat moment alleen nog voor haar zoontje te leven, een jongen van pas zes jaar oud.

Zijn gezicht lijkt precies op dat van zijn vader alsof ze uit dezelfde gietvorm komen. En net als zijn vader is hij slank, loopt hij zachtjes en rent zo snel als de wind gaat. Hij is de laatste schakel tussen de herinneringen aan haar man en haarzelf.

Ze neemt het glas beet en zet het weer neer zodat ze straks een tweede slok kan nemen. 'Het is al bijna 3 uur!' zegt ze snel tegen de naast haar zittende werkloze timmerman. 'Die kleine van mij komt dadelijk van school terug, tenzij hij met zijn vriendjes een ommetje maakt om kempvisjes te vangen. Maar misschien ook niet want hij speelt niet graag met dingen die je niet kan eten.'

Over haar zoontje en over eten

Zij praat ronduit trots over hem. Haar zesjarige zoontje onderscheidt zich van andere kinderen. Als hij over het rijstveld loopt heeft hij een muizenval bij zich, of een bamboe blaaspijp met pijltjes om een vis te spietsen. Springt hij in de vaart om te zwemmen dan neemt hij een net mee om krabbetjes te vangen onder de waterplanten. Af en toe neemt hij een duik en neemt dan een paar vissen voor haar mee. Of hij komt van school met bitter smakende slakken die hij zoekt in de lemen bodem van de sloot. Zo jong als hij nog is heeft hij door de honger al geleerd hoe aan voedsel te komen.

'Wat doe je op het moment, Pajom?' vraagt een werker van het beunschip. 'Werkeloos' zegt ze.

Hij kijkt haar eens van opzij aan; van de neus naar de lippen en naar de ronde kin. Haar ogen kijken treurig en met een nietszeggende blik. Dan zegt de man zuchtend 'Mijn vrouw heeft gisteren op de markt tonijn gekocht en geprobeerd die uit te venten. Verdorie, een dikke schadepost. Ik had haar al gewaarschuwd maar ze wilde niet luisteren. Tonijn is duur en wie heeft er hier nog geld?'

'Wat je zegt' antwoordt Pajom ongeïnteresseerd.

'Tja, van mijn loontje alleen kunnen wij niet rondkomen. Ze vindt het vervelend voor de kinderen. Mijn vrouw klaagt er over en wilde zich als dagloner aanmelden om zand te sjouwen op de bouwplaats. Ik heb dat tegengehouden. Zij is sinds de geboorte van onze jongste de oude niet meer en is niet meer zoals vroeger.'

Pajom drinkt het tweede, het laatste slokje. Ze komt er niet uit of ze zich nu verveelt of in een pestbui is. Ze begrijpt niet waarom mensen in deze buurt alleen maar ellende hebben en in de kroeg er over komen jammeren. De taxichauffeur windt zich op over de hoge benzineprijs. Arbeiders van de batterijfabriek die staken voor loonsverhoging en betere arbeidsomstandigheden hebben een zere keel van het zingen toen ze twee dagen moesten wachten op het resultaat van onderhandelingen.

De visser vervloekt zijn lot omdat de vis zo duur geworden is dat hij hem zelf niet meer kan eten. En daarbij is het moeilijk geworden überhaupt nog iets te vangen.... Het ziet er echt naar uit dat niemand hier nog geluk of welzijn kent. Dat geldt ook voor haar sinds haar man neergeschoten is; sinds ze naar deze stad verhuisd is.

Net als haar buurman moet ook Pajom knokken voor het naakte bestaan. Als iemand werk voor haar had dan ging ze direct akkoord. Ze was nooit kieskeurig. Deed alles als het maar geld opbracht: de grond omspitten, gras maaien, bakstenen uit een boot laden, zand scheppen, stenen sjouwen of afwassen. Allemaal los werk; klusjes. Als die klaar zijn moet je naar wat anders zoeken. En dat gaat maar door.

Wat werk vinden is niet moeilijk maar echt werk vinden is lastig. Pajom heeft nog nooit werk gehad waarvan je kunt zeggen dat ze er van kon rondkomen. Ze kijkt weer naar de toog. 'Geef nog maar wat te drinken.' Pajom begrijpt niet waarom ze toch zo'n trek heeft in die rode borrel in die grote bowlkom. Ze weet zeker dat ze niet zo aan alcohol verslaafd is als de oude vrouw die kleefrijst en gedroogd gezouten vlees verkoopt.

Dronken?

Pajom kent veel mensen in deze kroeg en heeft daardoor altijd wel werk gevonden. Daarom komt ze hier vaker, en eigenlijk vindt ze dat ze daarom hier iedere dag moet komen..... Nee, ze denkt niet dat ze aan dat rode spul verslaafd is zoals de opzichter in de fabriek die woont aan het eind van de straat. Het is haar bedoeling haar mond niet leeg en werkeloos te houden, en daarnaast geeft de alcohol haar een warm gevoel dat de vele bittere herinneringen verdringt.

'Daar is mijn kind al' roept ze blij. De arbeiders van het beunschip kunnen slechts vermoeid wat glimlachen. Pajoms opwinding, en dat ze haar kind zo tegemoet loopt als hebben ze elkaar maandenlang niet gezien, raakt ze diep. Ze hebben zelf veel kinderen maar willen ze overdag waarschijnlijk niet zien. Nee, ze haten hun kinderen niet maar deze openlijke uiting van liefde kan niet als ze zo vermoeid zijn.

'Kijk toch eens hoe hij loopt!' Pajom weet dat haar zoontje goed kan lopen maar maakt zich toch zorgen dat hij een keer valt. Zijn gezicht zit onder de modder maar zijn ogen staan op vrolijk en zijn bewegingen zijn levendig.

'Ben je alweer dronken, ma?'; zo begroet hij haar.
'Onzin' berispt ze hem goedig. 'Ik ben nog nooit dronken geweest.'
'Maar gisteravond toch wel!'
'Nee, schatje, maar ik voelde me gisteren niet zo lekker.'

Ze glimlacht en hoofdschuddend verbaast ze zich over het waarnemingsvermogen van haar zesjarige zoontje. Dan legt ze haar hand op zijn hoofdje en woelt door zijn kuif. 'Heb je honger, ventje van me?'
'Een beetje wel.'
Ze loopt terug naar de man achter de toog. 'Mag ik van jou twintig baht lenen? Ik betaal ze over twee dagen terug.' Ze kijkt hem poeslief aan. De man kijkt haar diep in de ogen. 'Dat zegt iedereen maar dan moet ik er lang op wachten, misschien wel tot sint-juttemis.'
'Nee, ik zweer het. En ik heb nog nooit mijn woord gebroken.'
'Ja, dat zweert ook iedereen.'
'Dan tot morgenmiddag slechts; twee dagen hoeft niet eens' zegt ze met moeite. 'Of wil je ook rente hebben? Die krijg je ook van me. Twintig baht slechts. Of vertrouw je me niet?'

Het antwoord van de barman is een onveranderd tronie met de lippen stijf op elkaar. Pajom foetert en gaat stilletjes naar buiten. Bijna had ze hem van alles verteld: een vrouw als zij bedondert niemand. De man hoeft ook helemaal niet bang te zijn. Morgen zal ze zeker een paar honderd baht op zak hebben.

De schoonzuster

Het bezoek kwam onverwacht. Haar schoonzuster kan haar ellendige toestand niet langer aanzien. Maar omdat zij niet in staat was Pajom te ondersteunen had zij haar aangeraden samen naar een hotel te gaan. Vanavond zal hun eerste nacht worden.

Pajom is pas 23 jaar; haar lijf en haar huid zien er nog als nieuw uit als je haar wat opdoft en met geurende crème insmeert. Haar schoonzuster was ook bereid haar een nieuwe rok en een roze onderbroekje te lenen. Komende nacht zullen ze samen gaan. Bangkok is ver genoeg van hier af. Niemand zal er van horen – en dan nog! Per slot van rekening is je lijf van jezelf. Pajom had geen moeite met deze beslissing.

Ze zoekt in haar zakken en vindt nog twee bahtmuntjes. 'Schat, neem dat geld en ga eerst wat eten kopen. Ik wacht hier op jou en daarna gaan we samen naar huis.'
'Maar dan heb je geen geld meer.'
'Jawel.'
'Je liegt; je hebt al het geld aan drank besteed.' En hij loopt weg.

Pajom bijt op haar lippen tot ze pijn doen. Allerlei gedachten schieten door haar hoofd. Haar zoontje is weggelopen als door de wind gedragen. Hij is mager en loopt heel licht zoals zijn vader. Zijn gezicht lijkt precies op dat van zijn vader alsof ze uit dezelfde gietvorm komen. Dan probeert ze twee baht te lenen bij de arbeiders van het beunschip, waggelt ze naar de toog en legt de muntjes neer om ze in te wisselen tegen de drank die haar warm maakt.

'Je zult het zien. Geen nood is me te hoog om hem goed op te voeden. Misschien ga ik vroeg dood maar hij mag het niet zo zwaar krijgen als ik, of als jullie' zegt ze snikkend. 'Droom je, Pajom?' zegt een stem die niet spottend is noch leedvermaak inhoudt.

'Nee nee, ik zweer iedere nacht bij Boeddha dat ik mijn zoontje tot een goed mens zal opvoeden.' De arbeiders van het beunschip antwoorden niet. Pajom kijkt naar buiten, naar de namiddagzon.

Na twintig minuten komt haar zoontje terug. Uit zijn rugzak komt haar een sterke reuk tegemoet. Ze ontdekt al snel dat hij een paar stukjes gezouten, gedroogd vlees in de rugzak heeft.'Waar ben je al die tijd geweest, jochie van me?' vraagt ze.
'Op de markt.'
'En waar komt dat vlees vandaan?'
Haar kind zwijgt. 'Vertel het me nu, liefje. Maak me niet kwaad! Kom nu maar op of ik bind je vast en stop een rode peper in je mond!'
Maar haar zesjarig zoontje zwijgt en staart haar welhaast haatdragend en toch met een onschuldige blik aan.

Ineens ervaart Pajom een intens gevoel van diepe eenzaamheid. Eenzaamheid die haar meer pijn doet dan toen, die dag, dat haar man stierf; eenzaamheid die vele malen erger is dan ze straks in die hotelkamer zal ervaren.

-o-

Bron: Kurzgeschichten aus Thailand. Vertaling en bewerking Erik Kuijpers.

Auteur Rong (Narong) Wongsawan, in Thais 'รงค์ วงษ์สวรรค์, 1932-2009. Wikipedia schrijft over hem:

He was a critic of the hypocrisies of the powerful, while having sympathy for the disadvantaged. 'Rong Wongsawan wrote in his native Thai language, although he spoke and read English fluently. He was also an occasional actor and personality on Thai television and film until his death in 2009. He is known for his innovations in the Thai language, and as with many Thai writers, used dialog to drive the story.

Meer lezen?
Op wikipedia. https://nl.wikipedia.org/wiki/Rong_Wongsawan

Toelichting
Beunschip: binnenvaartschip met dubbele wand ten behoeve van het drijfvermogen.

Gebruikersavatar
erik-kuijpers
Volwaardig lid
Volwaardig lid
Berichten: 1728
Lid geworden op: donderdag 11 oktober 2018, 14:32

Re: Uit de Thaise literatuur.

#6 Bericht door erik-kuijpers » maandag 29 juni 2020, 22:37

Er is meer tussen hemel en aarde...

Kampan was al een jaar verdwenen uit het dorp. Het waarom wist men niet. Enkele mensen meenden dat hij naar Bangkok was gegaan. Maar menigeen dacht dat Kampan zich verhuurd had als huursoldaat en ergens in Laos of Cambodja vocht. Men had na zijn verdwijning geen spoor van Kampan gezien; ook geen bericht. Zelfs zijn vrouw en kinderen van twee en vier jaar konden geen enkele vraag beantwoorden.

'Als hij echt als soldaat werkt in de jungle dan kon hij wel eens wat geld naar huis sturen. Men zegt dat de Amerikanen goed betalen' meende de bestuursambtenaar, de phuyaibaan, als over Kampan werd gesproken. 'Misschien heeft ie wel een andere vrouw' riep mevrouw Pien van achter uit de keuken.

'Of hij is al dood. Zou hij nog in leven zijn dan zou hij toch niet zo harteloos vrouw en kinderen vergeten?' voegde de oude Pun hieraan toe.

Als vrouw alleen...

Kampans vrouw moest net als voor haar trouwen weer inwonen bij Pien, haar moeder. Nooit had ze met ook maar één enkel woord een nare opmerking over haar man gemaakt. Kalm besteedde ze al haar aandacht aan de opvoeding van haar kinderen en hielp ze haar moeder met het werk.

De familie bezat geen eigen grond. Van de rijstoogst konden ze goed een jaar leven al moesten ze een deel afstaan aan de verpachter. Maar er was niets over dat verkocht kon worden.

Het was nu een vol jaar geleden dat Kampan het dorp verlaten had. Op die dag droeg hij een boerenkiel en een oude jeans. Hij verliet het huis zodra de eerste zonnestralen de kruin van de bomen raakten. De dauw schitterde nog in het hoge gras.
Kampan was conciërge op de dorpsschool. Nadat hij hun enige koe op de wei had gezet reed hij met de fiets naar school, twee kilometer verderop. De zon stond tegen die tijd al hoog boven de boomtoppen. Maar op die dag ging Kampan vroeger als gewoonlijk en lopend op weg. Zijn vrouw herinnerde zich die dag nog precies. 'Neem op de terugweg een doosje pillen mee van de GGD; ze zijn op' riep ze hem na.

Over geboorteplanning wist Kampan een klein beetje. Want anders had Kampan zeker net zo veel kinderen als meneer Ingeo die in hetzelfde jaar als Kampan was getrouwd. Meneer Ingeo had het gepresteerd binnen 5 jaar 4 kinderen te krijgen....

De hoofdonderwijzer is één keer in Kampans huis geweest om hem te zoeken maar niemand kon meer vertellen dan dat Kampan eenvoudig uit zijn huis verdwenen is. 'Dat is toch wel merkwaardig' zei de leraar tegen de phuyaibaan.

'Tja, merkwaardig of niet, hij is zeker verdwenen. Niemand heeft wat van hem gehoord, nog niet zijn eigen vrouw.'
'Maar ik zie niet aan zijn vrouw Rieng dat ze om hem treurt. Ze heeft niet eens gehuild' liet de leraar zijn bedenkingen horen.
'Wat helpt nou dat gejank? Misschien is Rieng wel blij dat het haar bespaard blijft nog eens twee kinderen op de wereld te moeten zetten. En zou ze er om gaan janken dan schiet ze daar niks mee op. Als haar man wil terugkomen dan komt ie vanzelf wel' zei de phuyaibaan.

En ineens was Kampan er weer

Hij keerde stilletjes in het dorp terug. Dat had niemand gedacht. Zijn vrouw brak pas op deze dag in tranen uit terwijl ze eerder niet één traan had geplengd. Waarschijnlijk was ze overmand door vreugde. De twee kinderen waren er ook en hingen aan vaders benen. Zijn schoonmoeder staarde hem van afstand aan alsof ze een spook zag.

Kampan ging uitgeput op de vloer zitten. 'Haal de phuyaibaan naar hier' beval hij zijn vrouw die naast hem was gaan zitten. 'En vertel hem nog niks.' Mevrouw Rieng haastte zich en kwam na korte tijd buiten adem terug, achter de ambtenaar aan.

'Allemachtig!' perste die er uit toen hij Kampan zag.

'Goeie dag, kameraad!' groette Kampan hem.

'Zeg eens, rotzak, met jouw vader verkeerde ik op gelijke voet maar met jou nooit' zei de phuyaibaan verontwaardigd.

'Gaat u eerst eens zitten, phuyaibaan' zei Kampan.

'Waar ben je die twee jaar geweest' vraagt de ambtenaar als hij tegenover Kampan gaat zitten.

'Het is maar één jaar' corrigeerde Kampan hem.

'Ja, OK, wie weet het nog precies? Maar vertel eens, waar was je al die tijd?'

'In het buitenland.'

'Wat, jij, in het buitenland? Dat bestaat toch niet?' schreeuwde de phuyaibaan. 'Zeg maar dat je in de bak hebt gezeten, dat geloof ik eerder. Man, alleen rijke en voorname mensen komen in het buitenland maar niet een zoals jij. Of heb je als zeeman aangemonsterd?'

'Ik was echt in het buitenland, kameraad.'

'Vooruit dan maar, vertel op. Ik breng je vanmiddag wel naar het gekkenhuis.'

'Luister eens goed! Nu ben ik serieus! Ik maak geen grapje kameraad....!' Kampan keek de man vastberaden aan.

De twee kinderen, Kampans vrouw en schoonmoeder luisterden zwijgend mee, volledig verbaasd want Kampan was dezelfde man niet meer. Hij had nog nooit zo aanmatigend met mensen hoger in rang gesproken. 'OK. Ik luister' zei de ambtenaar toen hij zag hoe serieus Kampan het meende.

Hanoi

'Ik was in Hanoi. De weg erheen liep door landen als Laos en Cambodja. Ik heb veel kameraden gezien die 4 tot 5 jaar geleden uit ons dorp zijn vertrokken. Er zijn daar veel Thaise mensen.' vertelde Kampan overtuigend.

'Wat doen die mensen daar dan? Hebben die een bedrijf of zo?' vroeg de phuyaibaan verbaasd. Hij wist niet waar Hanoi eigenlijk lag.

'Luister! Ik leerde in Laos met wapens omgaan. Daarna kreeg ik 4 maanden een opleiding in spionagewerk in Hanoi, dan praktijk in Cambodja, en daarna in Hanoi les in psychologie en tactiek van de guerillaoorlog. Kort gezegd, we werden naar school gestuurd en kregen boeken te lezen.'

'Wat moet je nou nog leren op jouw leeftijd? Is jouw beroep als conciërge niet goed genoeg?' onderbrak de ambtenaar Kampan.

'Man, luister nou eens. Ik heb de leer van de volksbevrijdingsbeweging geleerd. Ze gaven me de rang van officier van het volksbevrijdingsleger. Mijn hoofdtaak was werving en propaganda omdat ik van dit werk al voorkennis had. Ik heb immers hier op school gezien hoe de wervingscampagne verliep om schoolkinderen belangstelling voor het boek bij te brengen.

'Met wapens had ik niet zoveel te maken. Maar op 2 meter afstand schiet ik echt wel raak. Ik kreeg ook salaris, net zo hoog als een legerofficier in Thailand. Ik zal je vertellen, phuyaibaan, waarom ik geen geld aan mijn vrouw en kinderen heb gezonden. Ik wist wel dat ze hier niet echt armoedig leefden.

'Ik vond dat dit geld beter geofferd kon worden voor het werk van de beweging. Wij moeten offers brengen. Ik heb daarom iedere maand mijn loon teruggegeven aan het leger opdat het voor andere doelen besteed kon worden. Wat wil je nu uitgeven in de jungle? Er was zat te eten en 's avonds ga je slapen.'

'Heb je andere vrouwen gehad' vroeg de ambtenaar wantrouwig.

'Een paar, ja, maar niet vaak en nooit dezelfde. Daar werd door de leiding voor gezorgd. Je hoeft niet uit te gaan en ernaar te zoeken. Maar, hou nou op met die onzin! Laten we over het werk praten. Ook nu ben ik nog steeds officier van het volksbevrijdingsleger. Mijn taak is het werven onder de mensen hier, in ons dorp, om ze voor wapentraining en vorming naar het buitenland te sturen.

Sterke jonge mannen hebben ze nodig, speciaal die jongens die toch soldaat moeten worden wegens de dienstplicht. Als ze naar het guerillaleger gaan komen ze net als ik in het buitenland. Dan kom je nog eens ergens! Zelf heb ik 3 nieuwe landen leren kennen. Die landen zijn anders dan het onze en het is daar beter dan hier.....'

'Is het net zo mooi als Bangkok, vent?' vroeg mevrouw Rieng moedig aan haar man. Kampan keek zijn jonge vrouw aan en lachte. 'Ik heb Bangkok nog nooit gezien. Hoe moet ik dat weten? In ieder geval kun je daar beter leven dan in ons dorp.

'Nou, phuyaibaan, wat denkt u er van? Ik zal beginnen de jongens uit ons dorp er van te overtuigen daarheen te gaan. En na korte tijd zijn ze allemaal weer hier terug.'

Dus jij bent een communist...

'Als ik het goed versta ben jij dus een communist' zei de oude man gejaagd.

'Zo ongeveer wel. Maar wij noemen ons het volksbevrijdingsleger.'

'Nee. Ik verbied het je, je gaat niet jouw land verraden. Het is al erg genoeg dat jij jezelf verkocht hebt. Ik haal nu mijn geweer en ga jou als communist arresteren.' De phuyaibaan ging staan.

'Ho ho, niet zo heetgebakerd. Hoezo jouw geweer halen? Voordat jij bij de trap bent kan ik je al neerschieten. Weet je niet dat ik een geweer bij me heb?' Kampan beweegt zijn hand onder zijn jas maar liet niets zien.

'Ik offer mijn leven op. Ik laat niet toe dat jij het vaderland verraadt.'

'Phuyaibaan,' zegt Kampan, 'het gaat om de liefde voor jouw vaderland. Het land heeft burgers nodig die offers willen brengen. De warboel in ons land vandaag komt omdat wij zoveel egoïstische burgers hebben. Mensen zoals jij bijvoorbeeld, phuyaibaan, die niet van nut zijn voor het land. Jij ligt de hele dag op je rug en wacht tot de oogsttijd komt om dan van de boeren een deel van de oogst te innen. Jij leeft op kosten van de arbeid van anderen. Dat is uitbuiting.'

'Je beledigt me, kerel' riep de phuyaibaan boos maar waagde het niet iets tegen Kampan te ondernemen. Want Kampan had een wapen bij zich. En Kampan kon hem zonder te schieten ook wel doden. Hij hoeft het pistool maar te nemen en hem op zijn hoofd te slaan. De ambtenaar was geen bangerik maar wist wanneer je moed bewijzen moet en wanneer niet.

'Ach, hoezo schelden? Ik heb gewoon de waarheid verteld. Of denk je dat ik lieg? Jij hebt al die tijd misbruik gemaakt van de arbeid van medeburgers. Als een oplichter trek je mensen een poot uit. Dat noemt men corruptie. Wil je dit ontkennen, zeggen dat het niet klopt?'

De phuyaibaan gaf het op door met het hoofd te knikken. Hij zei niks want het verwijt van Kampan kwam hem maar al te bekend voor ook al zei nooit iemand wat.

'Ik wil het je best vergeven als jij jouw leven verandert.'

'Wat wil je van mij?' vraagt de phuyaibaan verlegen en met walging. De schrik om zijn leven was net zo groot als zijn verlangen naar geld om een kleine vrachtwagen te kopen. Die moest geschikt zijn om als taxi te dienen want heb je een wagen dan komen vanzelf andere bronnen van inkomen naderbij.

'Je moet anders gaan werken en niet meer de boeren die van jou gepacht hebben, en de mensen die van jou geld geleend hebben, bedriegen en afzetten. Je moet iedereen rechtvaardig behandelen en daaronder ook mensen als ik!'

'Als jij dat wil....' zei de phuyaibaan en wilde opstaan maar Kampan drukte hem terug omlaag. 'Jij, Rieng, loop jij naar zijn huis en haal pen en papier. Hij moet zijn belofte op papier zetten. Zeg niemand wat anders zie jij ook de dood in ogen. Mijn kogel is voor niemand bang.'

Zijn vrouw kwam snel met pen en papier terug. Niemand had aandacht aan haar geschonken en anders zou men denken dat het om een lening ging. Kampan schreef de verklaring op van de phuyaibaan in de vorm van een overeenkomst. Hij liet het de oude man lezen en ondertekenen. De phuyaibaan gehoorzaamde met trillende handen. Daarna ondertekende Kampan ook, en zijn vrouw en schoonmoeder als getuigen.

Later

'Ik ben naar Bangkok gegaan' vertelde Kampan tegen zijn gezin. Dacht dat je in Bangkok meer kon verdienen en dat ik niet voor altijd als conciërge zou hoeven leven. Ik wilde daar goed geld verdienen om onze beleende akker terug te kopen van de phuyaibaan. Ik heb keihard gewerkt, dag na dag. Maar het is me niet gelukt veel geld te verdienen. Ik heb geen cent bij me.

'Wat ik de phuyaibaan heb verteld is puur verzinsel. Ik haalde dit uit boeken die je in Bangkok kunt kopen. En Hanoi .. haha .. ik ken dat niet eens. Maar het is niet erg, toch, om onze medebewoners zo wat gerechtigheid te bezorgen?'

Er kwam weer blijdschap op hun gezichten, de eerste keer in het jaar nadat Kampan weggegaan was. Ook zijn kinderen lachten blij hoewel ze er niets van begrepen hadden.
-o-
Bron: Kurzgeschichten aus Thailand. Vertaling en bewerking Erik Kuijpers.

Auteur Makut Onrüdi (1950), in Thais มกุฎ อรฤดี. Onderwijzer en schrijver over de problemen van sociaal-cultureel achtergestelde dorpsbewoners in het zuiden van Thailand. Het verhaal is ingekort.

Meer lezen?

In de Thaise taal over Makut. https://readthecloud.co/author/makut/

Toelichting
Phuyaibaan, phuyai. Gekozen of benoemde bestuursambtenaar in een kleine gemeenschap of groep dorpen.

Gebruikersavatar
erik-kuijpers
Volwaardig lid
Volwaardig lid
Berichten: 1728
Lid geworden op: donderdag 11 oktober 2018, 14:32

Re: Uit de Thaise literatuur.

#7 Bericht door erik-kuijpers » zaterdag 11 juli 2020, 22:30

Het lied van de valk

Het oude moeke is ingedut als ze het lied van de valk gehoord heeft. Haar handen liggen gekruist op schoot. Uit de kooi aan de boom voor haar huis klinkt opnieuw op hoge toon het lied van de valk. Door de vele rimpels aan haar oogleden kan ze niet meer goed zien maar nog steeds ziet ze het beeld helder voor zich: 'Laten we hem toch houden moeder! Het is zo'n schattig dier!' zei haar zoon toen.

'Maar ik heb nog nooit een dier grootgebracht en ik heb meelij met het beestje' zei ze. De valk zat stil in zijn kooi. De oogjes gingen open en dicht maar in de heldere ogen stond geen leed. Zijn veren waren glad en schoon al had het in het water gepoedeld en daarna de veren zo lang opgezet tot ze droog waren.

'We doen hem niks aan hoor, moeder! Wij gaan hem visresten en graan te eten geven'; zo probeerde haar zoon toestemming te krijgen.

'Vreet ie rijst?' vroeg ze hem.
'Weet ik veel. Alsjeblieft, laten we hem toch houden.'

Zo ging dat. Haar zoon had nooit iets gedaan zonder eerst om haar mening te vragen. En als ze het ergens niet mee eens was had hij dat altijd als juiste beslissing aanvaard. Hij is haar enige schat die ze nog heeft op de wereld. De oude vrouw omringt haar zoon met alle zorgen als ware hij haar kostbaarste bezit.

Haar enige zoon en de valk

Per slot van rekening is hij het geschenk van de liefde van haar leven die nog steeds haar hart blij maakt. Zijn persoon is als de samenvloeiing van haar ziel en de ziel van haar lieve man die maar kort het geluk, het krijgen van een zoon, met haar kon delen. Hij moest te vroeg het pad op waarvan je niet terugkeert.

'Het is fout, een dier gevangen te houden' had ze haar zoon geantwoord.
'Maar we doen hem toch geen kwaad, moeder? We willen hem juist gelukkig maken.'
'Gelukkig in een kooi? Alles in de wereld heeft een zekere plaats. Verander zijn leven toch niet!' zei ze hem rustig.
'Maar, we laten hem toch niet altijd in die kooi? Ma, alsjeblieft, laat hem vrienden met ons worden.'
'Wil jij deze valk als vriend hebben?' vroeg ze en woelde liefdevol door zijn kuif. Ze lachte en zei 'Goed, wat mij betreft mag je de valk houden. Maar als de tijd daar is dat ik denk dat hij vrij moet zijn, beloof me dat je hem zult laten vliegen.'

En ze vraagt zijn erewoord daarvoor. 'Maar, als je morgen zegt dat de tijd daar is..... Laat mij hem toch houden! Hij is toch van mij?' Hij gaf zijn moeder een kus op haar wang en liep dolblij weg met de valk in het kooitje.

Het besef voor haar zoon te zorgen maakte de oude vrouw gelukkig. Ze zag hoe liefderijk hij de kleine valk verzorgde. Hij leerde het dier te zingen als iemand voorbij de kooi liep. Hij speelde met hem en verzorgde zijn veren. Gaf hem zelfs een naam die leek op de zijne.

De kleine valk is altijd vrolijk. De oude vrouw heeft de vogel nog nooit somber gezien, ook niet als haar zoon niet in de buurt van de kooi is. Maar ziet hij zijn baasje naderbij komen dan spreidt hij zijn vleugels en fladdert met ze alsof hij wil laten zien dat zijn vleugels al net zo krachtig zijn als van andere valken. Zijn verentooi is heel gelijkmatig en schittert met veel kleuren. En als hij aan zijn visje pikt zie je hoe scherp zijn snavel al is.

Wat de valk betreft is er geen twijfel meer voor de oude vrouw. Hij is een deel van haar leven geworden. Vroeg in de morgen als ze wakker wordt en het zonlicht nog niet boven de horizon is hoort ze al de vrolijke roep van de valk die met zijn vleugels wappert en op haar wacht. Steeds als zij uit haar slaapkamer komt ziet zij in dat levenslustige wezen een beeld waar ze van geniet en waarvan ze zich jonger voelt. Ze moest er steeds om lachen.

Het dier poetst met het puntje van zijn vleugel zijn kop, knippert met zijn ogen en krast een groet voordat hij met de ogen dicht zijn kop in de waterbak steekt. Daarna schudt hij zijn kop schoon en spettert water op de kooi. De oude vrouw herinnert zich al lang niet meer dat ze de vogel weer zou laten vliegen.

De brief van haar zoon

De eerste brief van haar zoon is binnen. Zij gaat in haar bamboestoel zitten, haalt de bril uit het versleten leren etui en zet hem op haar neus, en leest de brief waarvan het handschrift vrijwel gelijk is aan het hare. Hij vertelt over de reis.

' Wij zitten in een aparte coupé. Eigenlijk is dat helemaal niet zo slecht omdat wij niet op een hoop zitten zoals anderen die in een houten kist op ijzeren wielen opeengepakt zitten. Toen de trein op het station begon te rollen hoorden wij een signaal ter afscheid. Veel mensen moesten huilen toen ze de trein nazwaaiden. Na een poosje rijden begonnen enkele mensen vriendelijk met elkaar te praten en langzaam verdween de treurige stemming die ons enigszins bedrukt had aan het begin.

'Maar anderen raakten dat gevoel niet kwijt. Ze zaten ineengedoken op hun stoel en keken de hele tijd doelloos uit het raam. Het leek wel of de bomen van onze trein wegliepen en ook de telegraafmasten aan beide zijden vlogen voorbij. Alleen de zon volgde ons de hele tijd. De trein reed het eerste station voorbij maar dat was een kleiner station. Er waren ook mensen met kinderen die argeloos naar ons zwaaiden. Wie weet; misschien was het familie van een van ons.

'De trein is nergens gestopt. Je hoorde alleen het lang aangehouden getoeter van de trein. We kwamen een trein tegen die in tegengestelde richting reed, naar het zuiden. Die stond stil bij een station terwijl wij voorbij stoven. Dat ging zo snel, je kon niet zien wie er in die andere trein zaten. Het had ons ook niks gezegd als we het hadden kunnen zien. Er zijn zo veel mensen op aarde. Je ziet alleen maar de buitenkant en dat zegt niks over de mensen zelf. Is dat niet grappig, ma? Soms wil ik helemaal niet de mensen kennen die ik ontmoet, hoe interessant ze ook zijn kunnen. En dat komt omdat mijn gedachten bij jou zijn.

'Zo gaat dat bij mensen. Wij vinden dingen pas belangrijk als het ons zelf treft. Had trouwens al gehoord dat het in het noorden best koud is. Velen waren net als ik nergens op voorbereid. In onze tassen waren nauwelijks warme spullen. Daarentegen was ik dolblij, toen ik aan het eind van de reis mijn tas openmaakte, dat jij daar heel attent mijn gebreide vest in had gelegd. Maar hij is toch te dun voor de kou hier. Ik zou willen dat je na mijn vertrek was begonnen een dik vest te breien. Nu je mijn adres hebt zou je me dat kunnen sturen tot ik ergens anders gelegerd ben.

'Ik mis de valk heel erg. Hij zal vast erg blij zijn als ik terugkom, niet waar, ma?'

De oude vrouw leunt achterover in haar stoel. Die is haar lief want is net zo oud als haar zoon. Ze weet nog precies dat ze dag in dag uit met het kind in haar armen in deze stoel zat en hem te drinken gaf. Onvermoeibaar heeft ze de ontwikkeling van haar zoon gevolgd: eerst als baby met zachte, roze huid, dan als klein kind, daarna als vrolijke en praatlustige jongeman. Ze heeft er steeds plezier aan beleefd.

Ze pakt een kluwen wol om te gaan breien maar haar rimpelige handen trillen. Toch wil ze dat vest zo snel mogelijk af hebben; het wordt een waardevol verjaardagsgeschenk voor haar zoon. Ze wil hem op tijd posten zodat hij hem ontvangt op zijn 22e verjaardag. Dit is het enige dat ze nu voor zijn gezondheid doen kan omdat hij nu zo ver weg is. De scheiding doet haar pijn en dat moet ze helemaal alleen verwerken.

Als de tranen weer over haar wangen stromen verliest ze de moed de bril weer op te zetten. De wil ontvalt haar verder te gaan met zijn vest. Sinds hij vertrokken is zonder dat ze weet of hij ooit nog terugkomt leeft ze geen dag zonder verdriet en pijn. Alsof droefenis bij haar geworteld werd. Als ze in de nacht wakker schrikt loopt ze naar zijn lege bed. Als ze stappen naast het huis hoort bidt ze dat het haar zoon mag zijn. Maar in haar binnenste weet ze dat dit valse hoop is.

De dagen gaan langzaam voorbij zoals nimmer tevoren. Als ze slaapt droomt ze van haar zoon en overdag denkt ze alleen maar aan hem. Dit is haar ritme geworden; het zit zo diep van binnen dat ze zich geen ander leven kan voorstellen. Als ze nu maar niet eens moet horen dat hij uit haar leven..... Deze angst duikt steeds weer op hoewel ze probeert die weg te drukken.

Ze ontvangt weer een brief van haar zoon. De tranen vloeien weer als ze die in haar oude stoel leest:
'Het komt omdat ik de kleine valk van zijn moeder heb gehaald; daarom ben ik nu van jou gescheiden. Hoewel ik daar niet aan wil denken hoop ik je daarmee wat troost te bieden. Om het weer goed te maken, ma, laat de valk maar vliegen! Misschien kan ik daardoor sneller naar jou komen net zoals de kleine valk die dan naar zijn moeder terugvliegt.

De oude vrouw heeft de brief niet uitgelezen. Met de brief in de hand loopt ze naar de kooi van de valk. Die is inmiddels veel groter geworden dan toen ze hem kregen. Het dier begroet haar luid en met gefladder.

'Ga terug naar jouw moeder, valkje, opdat mijn zoon snel terugkomt. Mijn zoon moet bij mij terugkomen.'

Ze opent de deur van de kooi maar de valk toont geen spoortje zin de kooi te verlaten, ook niet als ze het deurtje openlaat. Dan haalt ze de vogel er uit en zet hem op een tak. Maar de valk is plotseling heel anders dan in de kooi. Droefheid overvalt hem en hij schijnt angst voor de onbekende omgeving te hebben. Hij beweegt zijn vleugels alsof hij wil gaan vliegen maar blijft toch zitten waar hij zit.

De valk is al lang geen echte vogel meer. Hij weet goed dat hij niet meer kan leven zoals andere vogels die rondom hem kwinkeleren zoals de kleine huismussen. Hij, de valk, kan niet meer met zijn ogen in de verte kijken. Zijn eens sterke vleugels die hem door de lucht lieten zweven zijn niet meer dan zwakke botten onder mooie veren. Ze vormen nutteloze versiering. Die zullen hem niet meer naar zijn moeder brengen.

Een treurig lied...

Het lied, dat de oude vrouw nu hoort, klinkt alleen maar treurig en klagend in haar oren. Het dringt door tot in haar eenzame hart. Het klinkt als het geluid van een schot aan het front dat door het hart van haar zoon gaat..... Het oude moeke ervaart deze ongrijpbare pijn als ze in haar oude stoel zit, de ogen dicht en met de handen gekruist op schoot.

-o-

Bron: Kurzgeschichten aus Thailand. Vertaling en bewerking Erik Kuijpers.

Auteur Makut Onrüdi (1950), in Thais มกุฎ อรฤดี. Onderwijzer en schrijver over de problemen van sociaal-cultureel achtergestelde dorpsbewoners in het zuiden van Thailand.

Het lied van de valk is geschreven in 1976. In de jaren 1970 trad het Thaise leger hard op tegen communistische infiltranten in het noorden, werden aanhangers vermoord in de 'red drum' moorden in het zuiden en vonden de moorden plaats op de Thammasat Universiteit.

Meer lezen?
In de Thaise taal over Makut. https://readthecloud.co/author/makut/

Plaats reactie

Terug naar “Cultuur”